IslamMiddle East

Iran en Khatami

By Tuesday 10 August 2004 No Comments

Als er iemand was geweest, die een brug had kunnen slaan tussen orthodoxen en verlichten, was het Khatami. Sinds zijn aantreden probeerde hij een weg te vinden tussen traditie en moderniteit. Hij wilde de economie liberaliseren, de buitenlandse betrekkingen aanhalen en wat zo mogelijk nog belangrijker was een vrij sociaal-cultureel klimaat scheppen. Maar de hervormers zitten in de gevangenis. De studenten, die president Khatami op 17 mei 1997 Dovvom-i Khordad aan de macht brachten, vinden dan ook dat hij zijn hervormingsbeloften niet nakomt.
Iran en Khatami


Als er iemand was geweest, die een brug had kunnen slaan tussen orthodoxen en verlichten, was het Khatami. Sinds zijn aantreden probeerde hij een weg te vinden tussen traditie en moderniteit. Hij wilde de economie liberaliseren, de buitenlandse betrekkingen aanhalen en wat zo mogelijk nog belangrijker was een vrij sociaal-cultureel klimaat scheppen. Maar de hervormers zitten in de gevangenis. De studenten, die president Khatami op 17 mei 1997 Dovvom-i Khordad aan de macht brachten, vinden dan ook dat hij zijn hervormingsbeloften niet nakomt.

Khatami kreeg zijn traditionele opleiding in het klooster van Qum. De zoon van Ayatollah Khomeini, met wie hij bevriend raakte, zat bij hem in in de klas. Vlak voor de revolutie werd Khatami naar Duitsland gestuurd. Hij moest het door Iran gesponsorde Islamitische Centrum in Hamburg gaan leiden. Daar legde hij zijn eerste contacten met het westen en leerde Duits. Toen hij terugkeerde naar de Islamitische Republiek werd bij benoemd op andere belangrijke politieke posten. Khatami heeft zich altijd enigzins onafhankelijk opgesteld.

Na zijn studie in het klooster had hij ook nog een graad in filosofie behaald aan de universiteit van Isfahan. Studiegenoten van toen herinneren zich dat hij al vroeg geïnteresseerd was in seculiere theorieën Hij zat een korte tijd in het parlement en hij werkte als redacteur van Kayhan, de grootste krant van het land. Opmerkelijk was dat na zijn vertrek de toon van het dagblad direct een anti-westers karakter kreeg en sindsdien werd beschouwd als de spreekbuis van de regering.Toch was Khatami wel degelijk verantwoordelijk voor dit repressieve beleid, want hij zwaaide tien jaar lang de scepter op het departement van cultuur.

Onder zijn bewind werden boeken gecensureerd en uitgevers hun vergunningen ontnomen. Pas in de laatste periode van zijn ministerschap liet hij de teugels weer wat vieren en kreeg de Iraanse filmindustrie weer wat kansen. Sommige schrijvers mochten zelfs, als ze hem rechtstreeks hadden kunnen benaderen, hun enigszins confronterende boeken laten uitgeven. In die periode verscheen onder andere: Kelidar van Mahmud Dowlatabadi, een roman over een simpele dorpsfiguur die wanhopig zijn eigen kleine rebellie voert tegen een onderdrukkende regering.

De censors eisten in eerste instantie diverse aanpassingen van de tekst. Dowlatabadi weigerde dat, maar – en dat is tekenend voor de willekeur die toen heerste – hij kon uiteindelijk toch zijn gang gaan. Khatami stelde ook een ‘persraad’ in die klachten moest behandelen over schrijvers en journalisten die de gedragscode zouden hebben geschonden. Abbas Maroufi, een dissidente schrijver en uitgever, gelooft heilig dat dit college hem heeft behoed voor de gevangenis. Het waren inderdaad vaak uiterst fanatieke aanhangers van het bewind die naar de ‘persraad’ stapten met hun kritiek. En Khatami was in deze gevallen vaak het enige lid van de regering dat die aantijgingen veroordeelde als ‘autocratisch, onverantwoordelijk en illegaal’. Maar de persraad hield er wel omstreden normen op na. In 1992 moest Khatami opstappen. De conservatieven binnen de regering vonden dat hij een te coulant beleid zou hebben gevoerd.

Hij werd vervolgens benoemd tot hoofd van de Nationale Bibliotheek, een vrij onbelangrijke functie, die hij vijf jaar lang vervulde. Deze tijd in de politieke wildernis gebruikte hij om na te denken, te schrijven en les te geven. Hij publiceerde onder andere twee belangrijke boeken in het Perzisch, ze bevatten colleges die hij aan zijn studenten had gegeven. De eerste bundel Angst voor de golf bestaat uit essays over Shi’itische Islamitische reformistische denkers die hij bewonderde om hun pogingen om de Islam te verklaren voor de westerse wereld. Khatami’s tweede boek Van de wereld van de stad naar de stad van de wereld was eigenlijk een lange overdenking. Hij behandelde de westerse politieke gedachte, van Plato en Aristoteles tot Machiavelli, Hobbes, Locke en Rousseau. Het liberalisme van de huidige eeuw kon, volgens hem, alleen tot stand komen door de invloed van al deze filosofen.Maar al deze denkbeelden sterkten Khatami zelf duidelijk ook in zijn latere politieke koers.

De huidige revolutie in zijn land is voor de presidentdan ook een van de belangrijkste gebeurtenissen in de Iraanse geschiedenis van de afgelopen eeuwen. Khatami onderschrijft het staatssysteem, dat op dit moment in Iran wordt gehanteerd en waarin de de religie allesbepalend is. Maar daarnaast probeert hij wel ruimte te creëren voor individuele rechten en vrijheden. Hij doet dat niet alleen door westerse ideeën over burgerlijke rechten en de waarde van de civiele maatschappij te importeren, hij probeert ook binnen de eigen traditie hiervoor aanknopingspunten te vinden. In de Middeleeuwen beleefde de Islamitische beschaving haar hoogtepunt, daarna volgde het verval, zo stelde hij. Hetzelfde gebeurde ooit ook met de Griekse en de Romeinse beschaving. Khatami beschouwt de Islam dan ook als een religie en een beschaving die niet kan reageren op de noden van de tijd, of die nu liggen op het gebied van wetenschap of economie of op het terrein van politieke organisatie. Khatami gelooft dat iedereen tegenwoordig ‘in de schaduw van het westen leeft’. Want ‘het westen levert op dit moment de meest krachtige, creatieve en relevante ideeën, is superieur op het gebied van militaire processen, technologie en beschikt over de meeste economische bronnen. Het westen domineert de financiële instituties en alle informatienetwerken. Alleen als Moslims deze realiteit erkennen kunnen zij de noden van de moderne tijden werkelijk te lijf gaan’, meent hij. Maar hij waarschuwt in zijn boeken ook voor het feit dat het westen de niet-westerse culturele wereld bedreigt en haar identiteit aantast.
Dat zijn de gevolgen van kolonisatie en exploitatie: Het westen heeft de spirituele aspecten en de noden van de mens in die periode teveel genegeerd. Khatami schrijft dan ook dat Moslims onderscheid moeten kunnen maken tussen de politieke activiteiten en de beschaving van het westen. Hij toont zich geen voorstander van verwesterlijking maar vindt wel dat islamitische intellectuelen zich beter en meer in de kracht van het westen moeten gaan verdiepen. Hij denkt daarbij niet aan de wetenschappelijke prestaties of de culturele en industriële verdiensten. Nee, hij is richt zich primair op de westerse politieke filosofie.

De islamitische wereld heeft gebrek aan wijsgeren als St. Augustinus, Thomas van Aquino, Machiavelli, Hobbes, Voltaire en Locke Binnen de Islam, zo schetst Khatami, vind je volop denkbeelden over theologie, recht, mystiek en de kunsten, maar er zijn nauwelijks beschouwingen te vinden over regeren en management van een samenleving. In een artikel beschrijft hij de strijd tussen de kerk, die in de feodale tijd krampachtig haar monopolie en haar macht probeerde vast te houden en de toenemende invloed van de nieuwe krachten in de vroeg-moderne wereld. Hij stelt in dit essay kooplieden, religieuze voorstanders van hervormingen en sociale beschermers op een lijn met de dragers van nieuwe ideeën van de rede, die vinden dat de mensen zich moeten bevrijden van het juk van traditionele en gedateerde denkbeelden. Een vergelijking met de Islamitische geestelijkheid in deze tijd dringt zich dan ook op. Over het leven in het post-revolutionaire Iran doen vele horror-geschiedenissen de ronde. Maar het verhaal over de moorden op vier intellectuele dissidenten eind 1998 spant wel de kroon. Op een en dezelfde dag werden de activisten van de oppositie Darius en Parvaneh Forouhar neergestoken in hun eigen huis.

Tegelijkertijd werden de schrijvers Mohamed Jafar Pouyandeh en Mohamed Mokhtari gewurgd. Hun lijken werden later even buiten Teheran teruggevonden. President Mohamed Khatami was de held van het volk toen hij daarna beloofde om de daders op te sporen. Hij kondigde aan dat hij een grondig onderzoek zou instellen. Achterhaald werd dat agenten van het ministerie van defensie en medewerkers van de inlichtingendienst bij deze gruweldaden betrokken waren geweest. Drie van hen werden afgelopen maart door een militaire rechtbank veroordeeld tot de doodstraf. Twaalf anderen die hen hadden geholpen, kregen straffen tot tien jaar. Drie mensen werden vrijgesproken. Maar de hervormingsgezinde partijen vonden dat het onderzoek nog niet helemaal was afgerond. Want het was van belang dat ‘de zon van de waarheid het hele land zou oplichten’, zo stond in de verklaringen de grootste oppositiepartij. Samen met de familie van de slachtoffers lieten de vernieuwers weten dat ze de volledige waarheid wensten te achterhalen. Ze wilden ook weten wie de opdrachtgevers waren van deze doodseskaders.

Het gevaar dat de onderzoekers wel eens bij de top van het politieke establishment zouden kunnen uitkomen was volgens de hervormers aanleiding voor Khatami om de zaak uiteindelijk ´low profile´ af te handelen. Hij zou hierdoor kunnen voorkomen dat ministers of ayatollahs zouden moeten sneuvelen. Wel was al, op het moment dat Khatami voor het eerst verklaarde dat het departement van defensie erbij betrokken was, minister Ghorban-Ali Dorri-Najafabadi ontslagen. Khatami speelde het spel slim: Geen van beide partijen kreeg zijn ultieme gelijk. Ook de rechters waren het onderling niet helemaal met elkaar eens.

Mohamed-Reza Aghighi, een notoire niet-klericaal, was een andere mening over de rechtsgang toegedaan dan zijn collega Ayatollah Shahroudi – hoofd van justitie. De familieleden van de vermoorden twijfelden er dan ook sterk aan of de identiteit van de mensen ´achter de schermen´ ooit zal worden onthuld.

Van de achttien veroordeelden was Mustafa Kazami de hoogste in rang: hij was directeur op het departement van defensie. Hij beschuldigde, zo verklaarde rechter Aghighi op de televisie, dat zijn minister Najafabadi opdracht gegeven zou hebben tot de moorden. Ook Mehrdad Alikhani, die ook wegens betrokkenheid bij de moordpartijen tot levenslang werd veroordeeld, verklaarde later dat hij op instructies van Najafabadi zou hebben gehandeld. Maar de ex-minister werd uiteindelijk vrijgesproken. Er waren nog meer mysteries rond het proces Zo zou de belangrijkste verdachte zelfmoord hebben gepleegd met een huismiddeltje waarvan men in medische kringen weet dat het niet dodelijk is. Hervormers twijfelen er dan ook aan of de man de hand aan zich zelf heeft geslagen.
Ze denken eerder dat hij uit de weg is geruimd om de politici die mogelijk boven hem staan te beschermen. De kans dat de waarheid over de opdrachtgevers van de moorden ooit boven tafel komt is klein. Officieel is het dossier door de overheid gesloten. En Akbar Ganji, de meest vooraanstaande onderzoeksjournalist van Iran, die over dit onderzoek had geschreven zit op dit moment om een andere reden al gevangen. Hij was een van de weinigen die het vuurtje weer eens had kunnen op poken. Khatami heeft dus moeilijke tijden achter de rug en het ziet er naar uit dat zijn strijd voor modernisering en politieke en sociale hervormingen er alleen nog maar zwaarder op wordt. Acht van zijn meest prominente medestanders werden onlangs veroordeeld tot gevangenisstraffen van vier tot tien jaar voor deelname aan een politieke conferentie in Berlijn twee jaar terug.

De conservatieven beschuldigden hen van een samenzwering om de huidige islamitische republiek om ver te werpen. Andere activisten werden gearresteerd voor hun rol op een conferentie over hervormingen in Iran zelf. Elf van de zeventien deelnemers werden veroordeeld wegens ondermijning van de staatsveiligheid. De al genoemde journalist Ganji kreeg de zwaarste straf: tien jaar. Bovendien wacht hem vervolgens ook nog eens een verbanning van vijf jaar naar een verlaten streek in zuid Iran. Zijn krant is inmiddels ook verboden. De lijst van gevangengezette dissidenten is lang.

De bekendste studentenleider Ali Afshari werd veroordeeld tot vijf jaar gevangenisstraf. Dit alles is een teken dat de hard-liners noch een open politiek debat noch een legale oppositie zullen toestaan. Toch confronteerde Khatami onlangs het parlement nog de doelstelling van de revolutie: de wil van het volk is van het allerhoogste belang. Ook wordt over hem gezegd dat hij al in gesprek is met de Hoogste Geestelijke Leider Ayatollah Ali Khamenei, over de vooruitzichten tijdens zijn eventuele tweede termijn. Of er sprake kan zijn van een mogelijke uitbreiding van zijn macht? Maar wat als die steun uitblijft? Tijdens zijn eerste termijn moest Khatami volkomen machteloos toezien hoe hij telkens ´terug´ werd gezet door de conservatieven. Nog steeds is er een krachtige tegenbeweging. De coalitie van de geestelijke macht wordt bovendien gesteund door conservatieve militaire krachten. Alleen zijn de geestelijken onderling wel weer verdeeld. Onder hen bevinden zich ook voorstanders van sociale en politieke hervormingen, weer anderen vinden zelfs dat de revolutie de Islam in diskrediet heeft gebracht Daarnaast heerst er in Iran onzekerheid over de mogelijkheden van Khatami om economische hervormingen daadwerkelijk door te kunnen voeren. Want ook daar is men onderling verdeeld over. Een groot strijdpunt vormt de buitenlandse investeringen. Iran laat internationale olie- en gasmaatschappijen niet delen in zijn productie zoals andere landen dat wel doen. En daar zal op korte termijn ook geen verandering in komen. Want daarvoor is niet voldoende politieke steun.

Farhad Golyardi

Farhad Golyardi

Born in Teheran, Iran 1962. Grew up during Iranian revolution and European identity crisis. Sociologist and publicist. In charge of developing programs at culture and debate centre De Balie in Amsterdam, chief editor of transnational magazine Eutopia and co-founder of the leftist think-tank Waterland. Book publication: Other voices from Teheran: Iranian intellectuals about Islamic identity after fundamentalism. De Balie publishing, 2000. Mede Oprichter en hoofdredacteur van het instituut Eutopia en mede-oprichter van de linkse denktank Waterland. Geboren in Teheran, Iran. Vanaf midden jaren '80 in Nederland. Geen makkelijke maar wel behoorlijk spannende jaren om in op te groeien tijdens de studie sociologie aan de Universiteit van Amsterdam. Belangrijke thema's die het persoonlijke en politieke leven begonnen te beheersen waren identiteit en etniciteit in de moderne samenleving. De islam wordt een bijzondere intellectuele uitdagingen in dezer dagen. Vanaf die jaren politiek commentator van de hedendaagse Iraanse samenleving en bovenal een trendwatcher: het analyseren en het ontwikkelen van visies op het gebied van politiek en cultuur als coördinator voor het Culturele Centrum De Balie in Amsterdam. Thema's als transnationaal burgerschap (migratievraagstukken in internationaal perspectief), de stad als metropool (veranderingen in grote steden op het gebied van economie, bevolkingsgroepen en het culturele klimaat), de Nieuwe Wereldorde (o.a. het Midden Oosten, de islamitische wereld, Europa en migratie en Amerikaans buitenlandbeleid) en migratievraagstukken in moderne westerse samenlevingen.